92.559
173

Dichter, acteur

Ramsey Nasr (1974, Rotterdam) is dichter/schrijver, acteur en regisseur. In 2000 debuteerde hij als dichter met de bundel 27 gedichten & Geen lied, die werd genomineerd voor zowel de C. Buddingh’-prijs als de Hugues C. Pernath-prijs. Hij werd in 2005 benoemd tot stadsdichter van Antwerpen. In de vele artikelen en opiniestukken die hij voor de Nederlandse en Vlaamse media schreef, laat Nasr zich kennen als een man met vele passies. Ze bestaan uit een liefde voor kunst – klassieke muziek, toneel, poëzie – alsook een grote betrokkenheid bij de hedendaagse politiek. Van 27 januari 2009 tot 2013 was Nasr de Dichter des Vaderlands.

Rendementsdenken heeft onze geest verziekt

If you pay peanuts you get monkeys. En if you pay millions, you get monsters. Ergens daartussen moet zich een leefbaar land bevinden

Rendementsdenken. Het is een woord waar ik al sinds mijn middelbare school allergisch voor ben. Ik slaagde voor mijn eindexamen met de hoogste cijfers van de school. Alle pijlen wezen naar een glorieuze academische toekomst, want met die hersenen viel geld te verdienen. Ik ging naar de toneelschool. Weg rendement.

Mijn ouders hadden het al een tijdje zien aankomen. Eerst dachten ze dat ik homo was. Toen er een kunstenaar in mij bleek te schuilen, vonden ze dat ook prima. Ze hebben mij altijd gesteund in mijn keuze; ze wisten dat ik een heilloze weg zonder winst ging bewandelen, met geen enkel uitzicht en nog minder perspectief, en ze zeiden: toe maar jongen, doe jij maar toneelspelen – omdat ze zagen dat ik het kon én omdat ik er gelukkig van werd. Dat laatste vonden ze het belangrijkst.

Voor ik besloot om acteur (en later: dichter) te worden, wilde ik klassieke talen studeren. Ik bezat een talent voor nutteloosheid. Er bestaat namelijk een krachtig verbond tussen de wereld van de kunst en die van de oude talen: beide dienen geen enkel praktisch doel in ons leven. Een mens functioneert prima zonder. Vandaar de populair-moderne vraag: wat moet je eigenlijk met die opleidingen? Kunst, Latijn, Grieks… strikt genomen zijn ze overbodig. Ik bedoel, dode talen: hoe onnuttig kun je zijn? Daarom is het misschien ook niet zo erg als IS iets verderop een meer dan 5000 jaar oude stad opblaast. Ninive, Nimrud, van de beeldende kunst tot de stadswallen: alles weg, omwille van een nieuwe, betere waarheid. Soms moet je snoeien om te groeien.

Trending topic zal de volgende bewering nooit worden, maar vakken als kunst en klassieke talen dienen een minstens zo belangrijk doel als nut en rendement tezamen: ze vormen hun noodzakelijk tegendeel. Klassieke talen bieden uitzicht op een wereld die niet langer bestaat; kunst biedt uitzicht op een wereld die nooit heeft bestaan en altijd mogelijk blijft. De vakken Latijn en Grieks lieten mij kennis maken met een wereld die is weggevaagd, met goden waarin niemand nog gelooft en met talen die niet meer worden gesproken – en dat is zinnig. Het is de ultieme relativering, het toont ons een wereld die alleen via onze verbeelding nog kan worden opgeroepen. Romans en gedichten doen hetzelfde, evenals film, theater, opera, ballet, muziek, beeldende kunst. Ze reiken ons een parallelle wereld aan, met fictieve mensen, een taal die niet langer functioneert zoals we dat gewend zijn, met nieuwe klanken, nieuwe beelden. Het maakt onze wereld groter en verwarrender.

Daarom ook is kunst een geliefd slachtoffer van de strijders voor De Waarheid – net zoals ze het ideale slachtoffer vormt van de voorvechters van Het Rendement. Bien étonnés de se trouver ensemble.

Zo was er eens een kabinet dat een frisse wind liet waaien door Nederland: een nieuwe lente en een nieuw geluid. Het verschroeide de kunsten en voorspelde dat privé-sponsoren vanzelf uit de geblakerde grond zouden opspruiten om zo een zelfbedruipende Hof van Eden te creëren. Vijf jaar later blijken de private sponsoren veilig onder de grond te zijn blijven zitten. Dat viel ook te verwachten in een klimaat waarbij kunstenaars door datzelfde kabinet als profiteurs en uitvreters waren neergezet – en dát klimaat bedruipt zichzelf inmiddels uitstekend.

Na de kunsten kwamen de opleidingen aan de beurt. Bewijs dat je nú, vandaag nog, van nut bent; niet overmorgen, anders gaat het mes erin.

De effecten van dit rendementsdenken nemen steeds weerzinwekkender vormen aan. Toen 700 bootvluchtelingen onlangs verdronken op weg naar Italië, een land dat deze instroom totaal niet meer aankan, zei premier Renzi niettemin: ‘We praten hier niet over statistieken, maar over onze broeders en zusters’. In Nederland, dat vrijwel geheel op slot zit en dat asielzoekers in principio als misdadigers behandelt, vergelijkt de VVD-fractievoorzitter onze illegalen met Willem Holleeder, ’s lands beruchtste crimineel en een berekenende psychopaat. Zo, ja zo zijn onze manieren. Waarom dan verwonderd zijn als Nederlandse burgers de boottragedie op een nieuwssite toejuichen met slogans als: ‘Dat scheelt weer 700 uitkeringen, maal 50 jaar. Kassa.’ Of: ‘Jammer van die 28 overlevenden, worden weer uitvreters.’

In een samenleving waar via politieke demagogie het rendement tot panacee voor al uw problemen is uitgeroepen, zullen mensen die om hulp en medemenselijkheid vragen vanzelf worden beschouwd als vijanden die uit zijn op winst. Onze winst.

Dat proces gaat sneller dan we denken. Op het internet circuleert een geestig filmpje uit 1999, waarin de Nederlandse bevolking werd gevraagd naar de slaagkansen van een zojuist geïntroduceerd apparaat: de mobiele telefoon. Wie er ook aan het woord kwam, het leek niemand een goed idee: de hele dag bereikbaar? Ben je gek? Waarom zou een mens dat willen? Vooral die oprecht verbaasde uitdrukking op de gezichten was aandoenlijk: ‘Ik heb thuis toch al een telefoon…’ Een mobieltje werd als schrikbeeld ervaren, men beschouwde het zelfs als iets a-sociaals. Ik vond het fragment behalve geestig ook beangstigend. Want dat was ik, iets meer dan 15 jaar geleden. Ik herkende mezelf niet meer.

Iets meer dan 15 jaar geleden was het een Nederlands schrikbeeld om vluchtelingen niet alleen terug te sturen maar ze en plus te bestempelen tot gewetenloze criminelen die hun straf willen ontlopen.

Rendementsdenken heeft onze geest in luttele jaren verziekt. Ik heb niks tegen geld, ik ben geen hippie, maar wie zichzelf laat verblinden door de flikkering van rendement, zal de anderen in het gunstigste geval als concurrenten beschouwen, in het onpersoonlijke geval als cijfers, en in het slechtste geval als parasieten. Ongedierte.

In dit klimaat bloeien bestuursvoorzitters op zoals Louise Gunning van de UvA, die ‘haar’ universiteit beschouwde als een instrument om geld mee te verdienen en die totaal vergeten was wat de primaire functie van haar instelling is: onderwijs bieden.

Of neem Jos Nijhuis, bestuursvoorzitter van Schiphol, die een bonus ontving van 95% op een nogal riant salaris. Nijhuis verdient nu 900.000 euro per jaar en stelde unverfroren in deze krant: ‘Ik vind het geen exorbitante beloning.’ Hij had NRC toestemming voor een interview gegeven omdat hij ook wel eens zijn kant van het verhaal wilde laten horen. Volgt hier zijn kant: ‘Ik kan mijn salaris uitstekend voor mezelf verantwoorden.’ Dat hij dat salaris niet aan zichzelf maar aan ons moet verantwoorden kwam niet in hem op: vergeten. Lekker ziek in eigen land.

Daarom sta ik niet te trappelen als ik lees dat The Rotterdam School of Management dit studiejaar 1300 eerstejaars heeft verwelkomd. Nóg meer managers, nóg meer nuttige leiders.

Het schrikbeeld voor Nederland zijn niet de classici zonder werk, de subsidieslurpende kunstenaars of uitzuigende asielzoekers. Het schrikbeeld voor Nederland bestaat uit mensen die slechts leven voor economische waarde, die elke empathie hebben verloren, alleen geïnteresseerd zijn in het eigen verhaal en die louter willen denken in cijfers en getallen, in het uitgekiend besef dat je getallen kunt ontslaan zonder dat het pijn doet. Dat zijn de ware Willem Holleeders van onze samenleving.

Gaan kunst, filosofie, geschiedenis, Grieks de wereld redden? Bieden zij soms wél pasklare oplossingen? Nope – en dat is precies de bedoeling. Ze werpen vragen op in plaats van antwoorden te bieden en lijken daarmee in te gaan tegen het primaire doel van onderwijs. Ze kietelen onze nieuwsgierigheid naar onbekend terrein, naar wat áchter de horizon ligt en bevrijden ons van de kokerwereld van ons hic et nunc. Belangrijkst van al: ze doen dat zonder gebruik te maken van de verlokkingen van een hiernamaals. Ze maken ons immuun voor De Waarheid, die simpel, verstikkend en humorloos is. Bovendien komen ze in opstand tegen onze gretige hang naar snel rendement, dus tel uit je winst. Het zijn uiteindelijk deze nutteloze vakken die goede managers en bestuurders zullen afleveren; mensen die begrijpen dat de echte wereld niet zozeer uit winst en efficiëntie bestaat, maar uit onvermogen, verlies en vergankelijkheid. Goed bestuur ziet daar de waarde van in.

Om die redenen zou het rendementsdenken hardhandig uit elke vorm van onderwijs moeten worden getrapt.

Bij het schrijven van dit stuk moest ik denken aan een ervaring van jaren geleden – ik zal een jaar of 15, 16 zijn geweest. Een bevlogen leraar – hij gaf klassieke talen – was op het onzalige idee gekomen onze klas mee te nemen naar een hedendaagse opera. De opera heette Aquarius, van de Belgische avant-garde-componist Karel Goeyvaerts, en het stuk werd opgevoerd in de Rotterdamse stadsschouwburg. Nu zal ik iets verklappen. Belgische avant-garde-muziek en Rotterdamse pubers, dat is geen goed huwelijk. Ik was in die dagen geheel en al met mijn hormonen bezig en dat was al ingewikkeld genoeg. Ik heb me dan ook stierlijk verveeld. Het was werkelijk niet te harden – tot de finale. Tijdens de laatste tien minuten gebeurde iets wat mij stuksloeg: een luide koorzang beëindigde de opera, meerstemmig, in hallucinante harmonieën, terwijl de zangers in gestileerde bewegingen aan het publiek voorbijtrokken. Dat moment ben ik nooit vergeten, het was verpletterend en schokkend. Het bood geen antwoord, had geen nut en het verschafte me geen enkele praktische vaardigheid. Het had de uitwerking van een epifanie. Voor een kort ogenblik deed het me geloven in iets waarvan ik wist dat het niet bestond. De waarde lag louter in de ervaring, die me alles uit handen sloeg. Die ervaring verruimde mijn verbeelding met grof geweld en vergruizelde mijn Waarheid. Ik had geloofd in iets wat mij vreemd was.

Sinds de terroristische aanslagen in Europa, sinds de gruwelijke onthoofdingen en verbrandingen door IS ben ik er meer dan ooit van overtuigd geraakt dat ons onderwijs een poging moet doen om een kind/leerling/student naast kennis ook zaken als meerduidigheid, nuance, empathie en verbeelding bij te brengen – niet omdat dat zo nobel of chic of menslievend is, maar omdat onze maatschappij anders morgen niet meer bestaat.

Waarheid met een grote W en Rendement met een grote R vormen vandaag onze grootste bedreiging. Zij doden de verbeelding in ons.

Ziedaar de paradox. Juist de opleidingen met een minder directe toepassing en van ogenschijnlijk kleiner nut vormen onze grootste bescherming tegen kortzichtigheid en fundamentalisme.

Wat we nodig hebben zijn zachte, onpraktische vakken. We moeten studenten niet pushen om louter te doen waar ze goed in zijn of waar het geld valt te halen, maar waar ze gelukkig in zijn. Als dat Portugees is, dan betekent dat Portugees leren. Of Hongaars. Of Latijn, Sanskriet, oud-Frans, filosofie, geschiedenis, zuivere wiskunde. En in dat geval zijn er mensen nodig die Hongaars, Sanskriet of gewoon zuiver wiskundig met je willen spreken. Laten we die mensen voor het gemak docenten noemen; hoogleraren. Het lijkt me dat je deze zeldzame soort koestert en niet wegbezuinigt.

En ik snap heus wel dat dat geld kost. Maar beschouw het als een investering.

Simpel gesteld: if you pay peanuts you get monkeys. En if you pay millions, you get monsters. Ergens daartussen moet zich een leefbaar land bevinden.

Dit stuk verscheen eerder op de website van De Nieuwe Universiteit 

Geef een reactie

Laatste reacties (173)